De moord op een groot koning

Het is bijna Pasen in Israël. De Joden treffen voorbereidingen voor het feest. Het paasfeest is een belangrijk feest. In ieder gezin wordt een lammetje geslacht. Het paaslam. Het wordt geslacht om de zonde van het volk te verzoenen. Dat gebeurt volgens de Joodse wet. Die wet heeft God hun gegeven. Eeuwen geleden. Hij gaf hun die met het vooruitzicht op het echte Paaslam dat geslacht zou worden voor de zonde van alle mensen.
Ieder jaar opnieuw vieren de Joden het paasfeest. Velen doen dit in Jeruzalem, de hoofdstad van Israël. Elk jaar weer heerst er een enorme drukte. Maar dit jaar staat heel Jeruzalem op z’n kop. Er is grote onrust.
De leiders van Israël, de Farizeeërs en schriftgeleerden, willen Jezus vermoorden. Ze zijn jaloers op Hem. Ze haten Hem. Zijn populariteit wordt met de dag groter. Alle mensen lopen Hem na. Ze willen allemaal zijn woorden horen en de wonderen zien die Hij doet. Het volk heeft Hem een paar dagen geleden zelfs tot koning van Israël uitgeroepen.
De leiders van Israël verdragen het niet langer. Jezus krijgt steeds meer invloed op de mensen, terwijl zij zelf hun macht dreigen te verliezen. Het is nu of nooit. Nog vóór het paasfeest moet het gebeuren. Jezus moet sterven! De priesters, de Farizeeërs en de schriftgeleerden beleggen in allerijl een vergadering in het huis van de hogepriester.

Judas verraadt Hem
Jezus is ook in Jeruzalem. Samen met zijn discipelen, zijn leerlingen. Hij weet wat er gaat gebeuren. Hij weet dat ze Hem gaan vermoorden.
Eén van zijn discipelen, Judas, gaat naar de Farizeeërs en schriftgeleerden. Hij vraagt hen: ‘Wat betalen jullie mij als ik er voor zorg dat jullie Jezus kunnen pakken?’ ‘Dertig zilverlingen’, zeggen ze. Dat is een heleboel geld in die tijd. En Judas is gek op geld.
De avond vóór zijn kruisdood eet Jezus met zijn twaalf discipelen het paaslam en het brood wat erbij hoort. Jezus zegt tegen hen: ‘Eén van jullie gaat Mij verraden.’ De discipelen worden verdrietig. Ze vragen één voor één: ‘Ben ik het, Heer?’ Dan zegt Jezus: ‘De man die ik nu een stuk brood geef, die is het.’ Judas neemt het brood aan en vertrekt.

Hij geeft Jezus een kus
Na de maaltijd gaat Jezus met zijn elf discipelen naar de Hof van Gethsemane. Hij weet dat ze Hem straks gaan arresteren en Hem aan een kruis zullen spijkeren. Het angstzweet breekt Hem uit. Hij is bang. Hij loopt alleen verder en knielt neer voor zijn Vader. Zijn zweet wordt als bloeddruppels die op de aarde vallen. Hij bidt: ‘O Vader, als het mogelijk is, laat dit niet gebeuren! Maar niet wat Ik wil, maar wat U wil, zal gebeuren.’ Het moet gebeuren, want als Jezus niet gekruisigd wordt, kan geen mens in de hemel komen. Dan zijn alle mensen verloren. Jezus staat op. Hij gaat terug naar zijn discipelen. Het arrestatieteam komt er al aan.
Er arriveert een groep soldaten met stokken en zwaarden om Jezus gevangen te nemen. Judas is er ook bij. Hij geeft Jezus een kus, een verraderskus. Nu weten de soldaten welke man ze moeten hebben. De discipelen vluchten allemaal een kant op. Ze zijn bang.
Jezus wordt geboeid naar de hogepriester en de andere leiders gebracht. Deze brengen vele beschuldigingen tegen Hem in. Ze willen Hem ter dood veroordelen. Maar ze mogen zelf het doodvonnis niet uitspreken. Dat mogen alleen de Romeinen doen. Die zijn in die tijd de baas in Israël. Noodgedwongen sturen de Joodse leiders Jezus naar de Romeinse stadhouder Pilatus. Ze eisen van hem het doodvonnis. Er is inmiddels een hele mensenmassa op de been.

Ze kiezen voor de moordenaar
Pilatus durft Jezus niet te veroordelen. Hij weet dat Hij onschuldig is. Hij weet dat Hij een bijzonder iemand is. Hij weet ook dat de Joden Hem uit jaloezie willen doden. Hij doet alle mogelijke moeite om Jezus vrij te laten.
Hij vraagt Hem: ‘Wat hebt u gedaan?’ en ‘Bent u de koning van de Joden?’ Maar Jezus verdedigt zich niet tegenover Pilatus. Pilatus reageert hierop verbaasd: ‘Hoort u niet waarvan ze u allemaal beschuldigen? Weet u niet dat ik de macht heb om u vrij te laten en de macht om u te veroordelen?’ Jezus antwoordt: ‘U zou geen macht over mij hebben, als deze u niet door God gegeven was.’
Pilatus zegt tegen het volk: ‘Mensen, Jezus heeft niets misdaan waarop de doodstraf staat. Ik laat hem vrij.’ Maar het volk, aangevoerd door z’n leiders, eist zijn kruisdood. Ze schreeuwen: ‘Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!’ Pilatus vraagt hen opnieuw: ‘Wat voor misdrijf heeft Hij dan gepleegd? Ik vind geen schuld in Hem.’ Het volk antwoordt: ‘Hij zegt dat Hij de Zoon van God is. Daarom moet Hij sterven.’
Dit maakt Pilatus nog banger. Hij probeert het op een andere manier. Ieder jaar laat hij met Pasen een gevangene vrij. Hij stelt de menigte voor de keuze: ‘Zal ik Jezus of de moordenaar Barabbas voor u vrijlaten?’ Massaal kiest de menigte, opgehitst door haar leiders, voor de moordenaar. ‘Laat Barabbas los!’, schreeuwen ze. ‘Laat Barabbas los!’

Moet ik dan uw koning kruisigen?
‘Moet ik dan uw koning kruisigen?’, vraagt Pilatus ten einde raad. ‘Ja, Pilatus, ja! Weg met Hem! Wij willen Hem niet! Wij hebben geen andere koning dan de Romeinse keizer!’ Pilatus is bang dat er een opstand komt en dat hij dan zijn baan als stadhouder verliest. Met een bevend hart veroordeelt hij Jezus ter dood en geeft zijn soldaten opdracht Hem te kruisigen.
Pilatus laat water brengen om zijn handen in onschuld te wassen. Hij zegt: ‘Ik ben niet verantwoordelijk voor zijn dood.’ Het volk antwoordt: ‘Wij nemen de verantwoording voor zijn dood op ons!’ Dit neemt niet weg dat Pilatus een onrechtvaardige rechter is. Hij heeft willens en wetens een onschuldige ter dood veroordeeld. Hij heeft het doodvonnis over de Zoon van God uitgesproken.
De soldaten geselen Jezus en trekken Hem een purperen gewaad aan. Ze zetten een kroon van doorns op zijn hoofd. ‘Dit is de koning der Joden!’ spotten ze. Ze slaan Hem in zijn gezicht en spugen op Hem. En de hele mensenmenigte jouwt hem uit. Een week geleden riepen ze Hem nog tot koning over Israël uit!

Ze weten niet wat ze doen
Daarna trekken de soldaten Hem zijn eigen kleren weer aan en brengen Hem samen met twee moordenaars naar Golgotha, een heuvel net buiten Jeruzalem. Daar wordt Hij aan het kruis gespijkerd en tussen de moordenaars in gehangen.
Boven zijn hoofd plaatsen ze een bordje waarop staat: ‘Dit is Jezus, de koning van de Joden.’ De Joden zijn het er niet mee eens dat het bordje er hangt. Ze willen niet dat Jezus hun koning is. Maar Pilatus wil het niet weghalen.
Jezus wordt als een crimineel gekruisigd. Hij laat zich kruisigen uit liefde voor de mens. Jezus is het echte Paaslam dat geslacht wordt om de zonde van de wereld te verzoenen. Er vloeit bloed uit zijn wonden. Hij lijdt pijn. Hij heeft het moeilijk. En toch bidt Jezus hardop voor zijn moordenaars: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen!’
De zonde van de hele wereld ligt op Hem. Er staan veel mensen bij het kruis. Ze lachen Hem uit. Ze spotten met Hem. ‘Als u echt de Zoon van God bent, kom dan van het kruis af!’, roepen ze. Jezus is zo vies en vuil van alle zonde die op Hem ligt, dat God, zijn Vader, Hem verlaat. Hij is helemaal alleen. Hij hangt tussen hemel en aarde. Verlaten door God en mensen. Eindelijk sterft Hij, met de woorden: ‘Het is volbracht!’ Als de soldaten komen controleren of de gekruisigden al dood zijn, steken zij een speer in zijn zij. Er komt water en bloed uit. Jezus is dood.

Verdrietig paasfeest
Jozef van Arimatea krijgt toestemming van Pilatus om zijn lichaam van het kruis te halen. Zo snel mogelijk wordt Jezus begraven. Zijn vrienden wikkelen Hem met mirre en kruiden in linnen doeken en leggen hem in een nieuw graf dat uitgehouwen is in een rots. Zij rollen er een zware steen voor. Later zullen zij zijn lichaam balsemen. Maar daar is nu geen tijd voor. Het paasfeest begint.
Voor de leiders van Israël is het een bijzonder paasfeest. Jezus is dood! Eindelijk zijn ze van Hem verlost. Ze vieren hun overwinning. Voor de discipelen en de vrienden van Jezus is het een verdrietig paasfeest. Jezus, hun Heer, is dood! Hij ligt in doeken gewikkeld in een graf.
Toch zijn de Joodse leiders niet helemaal gerust. Ze herinneren zich de woorden van Jezus dat Hij na drie dagen zal opstaan uit de dood. Ze zijn bang dat de discipelen zijn lichaam uit het graf komen stelen en dan aan iedereen vertellen dat Hij is opgestaan. Daarom vragen ze Pilatus om een soldatenwacht bij het graf te zetten om het te bewaken.

Jezus staat op!
Maar geen mens kan de kracht van God tegenhouden. Na drie dagen staat Jezus op uit het graf. Hij heeft de dood overwonnen! Hij leeft!
Zijn discipelen en volgelingen zijn heel blij. Nog veertig dagen blijft Jezus op aarde. In die tijd komt Hij vaak bij hen om de dingen van zijn koninkrijk met hen te bespreken. Want zij moeten de wereld gaan vertellen dat Jezus gekruisigd is om iedereen die gelooft, eeuwig leven te geven.
Op de veertigste dag gaat Jezus met zijn discipelen naar de Olijfberg vlakbij Jeruzalem. Daar neemt Hij afscheid van hen en Hij gaat terug naar zijn Vader in de hemel. Zij kijken Hem na tot Hij verdwijnt achter de wolken.
Eens zal Jezus terugkomen op de wolken. Dan gaat Hij op de troon in Jeruzalem zitten, omdat hij de koning van de Joden is! Dan is er vrede in Israël en op de hele wereld, duizend jaar lang. Daarna maakt God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dat gebeurt als de slang, de duivel, voor altijd gevangen is gezet. Dan kan hij de mensen niet meer verleiden. Dan is er geen verdriet meer. En ziekte en dood bestaan niet meer. Dan is alles volmaakt.

Dit verhaal kun je lezen in de Bijbel in Matteüs 26 t/m 28; Marcus 14 t/m 16; Lucas 22 t/m 24; Johannes 18 t/m 21; Handelingen 1 vers 1 t/m 11.

Jenny Goeree Manschot

©2010 Overname van artikelen is alleen toegestaan na schriftelijke toestemming van de uitgever/auteur.






home | over evan | artikelen | bijbelverhalen | vragen | uw mening
forum | e-mail | colofon


© 2017 Alle rechten voorbehouden